Seneca, ca. 49
Over de kortheid van het leven
Seneca schreef dit essay aan zijn vriend Paulinus. Zijn betoog is nooit overtroffen:
Het is niet zo dat we weinig tijd hebben om te leven, maar dat we er veel van verspillen. Het Leven is lang genoeg, en in ruime mate gegeven, om de grootste dingen te volbrengen โ als het in zijn geheel goed wordt besteed.
Maar wanneer het Leven verkwist wordt aan luxe en achteloosheid, wanneer het aan geen enkel waardevol streven wordt besteed, dan beseffen we in het laatste uur dat het Leven waarvan we het voorbijgaan niet opmerkten, voorbij is.
Zo is het: we krijgen geen kort Leven, maar we maken het kort. We zijn niet karig bedeeld, maar verkwistend met wat we hebben.
Mensen zijn zuinig in het bewaken van hun bezit; maar zodra het op het besteden van tijd aankomt, zijn ze het meest verkwistend met het enige waarin gierigheid terecht zou zijn.
Iedereen jaagt zijn Leven op, lijdend aan een verlangen naar de toekomst en een moeheid van het heden. Maar wie al zijn tijd aan zijn eigen behoeften besteedt, wie elke dag inricht alsof het de laatste is, verlangt niet naar morgen en vreest het niet.