Lucretius, ca. 55 v.Chr.
Over de natuur der dingen
Een Romeinse dichter verklaarde in verzen een universum zonder goden, 2.000 jaar voordat de moderne wetenschap het grootste deel van zijn beeld bevestigde:
Aangenaam is het, wanneer winden de wateren van een grote zee opjagen, vanaf het land de worsteling van een ander te zien. Niet omdat iemand in nood zien vreugde brengt — maar omdat het zoet is te zien van welke moeiten je zelf vrij bent.
Angst is de moeder van alle goden. De natuur doet alles uit zichzelf, spontaan, zonder bemoeienis van de goden.
Kijk terug op de eeuwigheid die verstreek voordat we geboren werden — zij was niets voor ons. Dit is de spiegel die de natuur ons voorhoudt om de tijd na onze dood te tonen. Is er iets verschrikkelijks in? Iets sombers? Is het niet vrediger dan welke slaap ook?
Het oude wordt altijd verdrongen door het nieuwe, en het ene moet uit het andere hersteld worden. Niemand wordt in de put van de zwarte Tartarus gestuurd: stof is nodig opdat latere generaties kunnen groeien.
Het Leven is aan niemand als eigendom gegeven; aan allen slechts in gebruik.