Epicurus, ca. 300 v.Chr.
Brief over het geluk
Epicurus schreef deze brief aan een leerling, Menoikeus. Het is een van de oudste overgeleverde aanwijzingen over goed leven. De kernpassages:
Laat niemand als hij jong is uitstellen te onderzoeken hoe goed te leven, en laat niemand er op zijn oude dag moe van worden. Want voor niemand is het te vroeg of te laat om voor de gezondheid van de ziel te zorgen.
Wen aan de gedachte dat de dood niets voor ons is. Want alle goed en alle kwaad ligt in de gewaarwording โ en de dood is het einde van de gewaarwording. Daarom is het meest gevreesde kwaad, de dood, niets voor ons: zolang wij er zijn, is de dood er niet; en als de dood er is, zijn wij er niet meer.
Dwaas is wie zegt de dood te vrezen, niet omdat hij pijn zal doen als hij komt, maar omdat het pijn doet hem te verwachten. Wat geen last geeft als het er is, geeft alleen lege pijn zolang men erop wacht.
De wijze verwerpt het Leven niet en vreest het einde ervan niet. Het Leven stoort hem niet, en hij beschouwt het niet als een kwaad om op te houden met leven. Zoals hij niet simpelweg de grootste hoeveelheid voedsel kiest maar het lekkerste, zo geniet hij niet van de langste tijd maar van de aangenaamste.
We moeten bedenken dat de toekomst noch helemaal van ons is noch helemaal niet van ons, zodat we haar niet als zeker verwachten, noch aan haar wanhopen als zeker niet komend.